Arbeidsrecht Ambtenarenrecht Medezeggenschapsrecht Sociaal zekerheidsrecht

Rechtsvermoeden van werkgeverschap

17-4-2012

Danielle van der Wulp
Op 1 maart 2012 is de Wijziging Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (verder: “Wijziging WML”) in werking getreden. Als gevolg van deze wetswijziging is art. 18b Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (verder: “WML”) aangepast. Voornoemd artikel ziet op het verduidelijken van het rechtsvermoeden van werkgeverschap.

Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

Op grond van de WML [1] hebben werkgevers de plicht om aan werknemers het minimumloon (art. 7 WML) en de minimumvakantiebijslag (art. 15 WML) te betalen [2]. Art. 18b lid 1 WML bepaalt dat het niet naleven van de bepalingen omtrent het minimumloon en de minimumvakantiebijslag een overtreding is, waarvoor na constatering van een overtreding door de toezichthouder (Arbeidsinspectie) een bestuurlijke boete aan de werkgever kan worden opgelegd. Daarnaast kan in geval van dergelijke overtredingen, op grond van art. 3 van de Beleidsregels bestuurlijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2010, aan de werkgever een last onder dwangsom opgelegd worden. Hiermee kan de werkgever worden gedwongen alsnog het minimumloon en de minimumvakantiebijslag aan de werknemer te betalen.[3]

Rechtsvermoeden van werkgeverschap

In art. 18b WML is verder het begrip ‘rechtsvermoeden van werkgeverschap’ opgenomen. Dit houdt in dat er bij inspectie van uitgegaan dient te worden dat er sprake is van een dienstbetrekking (krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht) wanneer een persoon wordt aangetroffen die arbeid verricht ten behoeve van de onderneming, voorzover er geen bescheiden zijn waaruit het tegendeel blijkt[4]. Aangezien dit echter niet expliciet in art. 18b WML was neergelegd, liet dit artikel ten onrechte ruimte over voor interpretatie. Het gevolg hiervan is bijvoorbeeld dat er in 2010 een uitspraak is geweest [5], waarin de rechter het begrip ‘aangetroffen persoon’ voortvloeiende uit art. 18b lid 2 WML (oud) volgens de wetgever te ruim heeft uitgelegd.

In deze uitspraak speelt het volgende: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een onderneming een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 18b lid 2 WML. De onderneming heeft volgens de minister voor zes personen die tijdens controles op 24 mei 2007 en 7 juni 2007 zijn aangetroffen op het adres waar een kwekerij is gevestigd, alwaar zij onder leiding en gezag van de in geding zijnde onderneming arbeid verrichtten bestaande uit het oogsten van champignons, geen schriftelijke bescheiden kunnen overleggen waaruit de aard van de arbeidsrelatie, het door de onderneming betaalde loon of de door haar betaalde vakantiebijslag en het aantal gewerkte uren kon worden vastgesteld. De in geding zijnde onderneming betwist dat er sprake is van werkgeverschap. De onderneming betoogt dat, nu de werknemers zijn aangetroffen in het bedrijf van de kwekerij en niet bij de onderneming, niet de in geding zijnde onderneming maar de kwekerij onder het bereik valt van artikel 18b lid 2 WML (oud).

In artikel 18b lid 2 WML (oud) wordt de term ‘in zijn onderneming, bedrijf of inrichting aangetroffen persoon’ gebruikt. Volgens de toelichting bij de nota van wijziging op grond waarvan deze bepaling is toegevoegd, is de consequentie van deze bepaling dat ervan wordt uitgegaan dat sprake is van een dienstbetrekking met de werkgever (als bedoeld in artikel 2 lid 1 WML), wanneer een persoon in zijn onderneming wordt aangetroffen, arbeid verricht ten behoeve van die onderneming en er geen bescheiden zijn waaruit het tegendeel blijkt, zodat het voor de toezichthouder mogelijk wordt effectief het bepaalde in artikel 7 en 15 WML te handhaven. De ABRvS stelt hieromtrent dat het bij een ‘aangetroffen persoon’ moet gaan om een persoon die fysiek aanwezig is in en arbeid verricht ten behoeve van de onderneming, het bedrijf of de inrichting. De rechtszekerheid verzet zich tegen de door de minister bepleite ruime uitleg dat ook indien een werkgever zijn werknemers uitleent aan een andere werkgever, in dit geval de kwekerij, en die werknemers de arbeid verrichten in het bedrijf van die andere werkgever, deze werknemers geacht worden te zijn aangetroffen in de onderneming van de eerstgenoemde werkgever, de in het geding zijnde onderneming. Aangezien niet in geschil is dat de werknemers fysiek zijn aangetroffen in de kwekerij en werkzaamheden verrichtten ten behoeve van de kwekerij, heeft de minister ten onrechte de in het geding zijnde onderneming een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 18b lid 2 WML (oud).

Om de doelstelling[6] van de wetgever duidelijker te verankeren in art. 18b WML en situaties als in voornoemde uitspraak te voorkomen, is (het oude) lid 2 gewijzigd in een nieuw lid 2 en 3. Zoals de Memorie van Toelichting het verwoordt: ’Met de nieuwe opzet van artikel 18b, tweede lid, is de oorspronkelijke gedachte achter de bepaling duidelijker verwoord.’[7] Hiermee wordt getracht te voorkomen dat een (vermoedelijke) werkgever die geen medewerking verleent aan een controle in het kader van de WML, eventuele sancties wegens onderbetaling/beloning van zijn werknemers ontloopt.

Om de naleving van de WML gemakkelijker te maken en beter te controleren is daarom de Wijziging WML (art. 18b) ingevoerd.

Concrete veranderingen

Om de oorspronkelijke gedachte betreffende het rechtsvermoeden van werkgeverschap duidelijker te verwoorden in art. 18b WML, is in de nieuwe vorm van het artikel ten eerste aangegeven welke gegevens een werkgever aan de toezichthouder moet verstrekken. Hierbij dient gedacht te worden aan documentatie ten aanzien van betalingen van loon en vakantiebijslag. Door de toezichthouder kan op grond van dergelijke informatie worden achterhaald of (ten minste) het minimumloon is betaald en (ten minste) de wettelijke aanspraak op vakantiebijslag. Ook is het voor de controle ten aanzien van de naleving van de WML bijvoorbeeld van belang om te weten hoeveel uren de werknemer daadwerkelijk (dus niet de contractueel overeengekomen uren) heeft gewerkt.[8]

Ten tweede is in de nieuwe opzet van het artikel aangegeven dat voor de toepassing van het (nieuwe) tweede lid van artikel 18b WML ook als werkgever wordt aangemerkt ‘degene in of ten behoeve van wiens onderneming, bedrijf of inrichting een persoon arbeid verricht, heeft verricht of waarvan op grond van feiten en omstandigheden naar redelijk vermoeden een persoon arbeid verricht of heeft verricht’. Personen die arbeid verrichten of hebben verricht, zijn niet enkel de personen die fysiek worden aangetroffen bij een onderneming tijdens een controle van de toezichthouder. Uit de controle van een loonadministratie kan bijvoorbeeld blijken dat personen arbeid hebben verricht. Voorgaande kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een controle plaatsvindt bij een uitzendbureau.[9]

Als feiten en omstandigheden het bestaan van een dienstbetrekking doen vermoeden, wordt daarvan door de toezichthouder in principe uitgegaan. Het redelijk vermoeden van de toezichthouder dat er sprake is van werkgeverschap, zal echter wel uit objectief vast te stellen feiten en omstandigheden moeten blijken.[10] Er bestaat in een dergelijk geval een rechtsvermoeden van werkgeverschap, waardoor de (vermoedelijke) werkgever aan art. 18b WML (en overige WML artikelen) moet  voldoen.[11] Het is de (vermoedelijke) werkgever uitdrukkelijk wel toegestaan om tegenbewijs te leveren, om te bewijzen dat er niet sprake is van werkgeverschap. Er is dus sprake van een weerlegbaar vermoeden, waarbij de stelplicht en de bewijslast bij de (vermoedelijke) werkgever ligt. Het enkel ontkennen dat er sprake is van een dienstbetrekking/werkgeverschap is hierbij onvoldoende. Wat door de werkgever wordt aangevoerd moet, al dan niet schriftelijk, volledig worden onderbouwd.

Conclusie

Met het nieuwe art. 18b WML wordt het niet verstrekken van de relevante gegevens aan de toezichthouder en/of het niet naleven van de artt. 7 en 15 WML als overtreding aangemerkt voor de werkgever èn de vermoedelijke werkgever (rechtsvermoeden van werkgeverschap). Het redelijk vermoeden van de toezichthouder dat er sprake is van werkgeverschap, zal echter wel uit objectief vast te stellen feiten en omstandigheden moeten blijken.

Met de wijziging van het artikel wordt mijn inziens het doel [12] van de wetgever, dat dus al bestond met de invoering van het oorspronkelijke art. 18b WML, sterker verankerd in het wetsartikel. Door rechtsvermoeden van werkgeverschap mogelijk te maken, wordt voorkomen dat een (vermoedelijke) werkgever die geen medewerking verleent aan een controle in het kader van de WML, eventuele sancties wegens onderbetaling/beloning van zijn werknemers ontloopt.

Het rechtsvermoeden van werkgeverschap zal een (vermoedelijke) werkgever mijn inziens niet onredelijk/onbillijk bezwaren. Dit, door de (vermoedelijke) werkgever uitdrukkelijk toe te staan om tegenbewijs te leveren. Dit zal geen onbillijk zware last voor de (vermoedelijke) werkgever zijn, omdat het gegevens betreft die een werkgever altijd dient op te stellen/te verstrekken voor werknemers (o.a. loonstrook) en de (vermoedelijke) werkgever dus al over een dergelijke administratie dient te beschikken.

Door het rechtsvermoeden van werkgeverschap kan mijn inziens worden voorkomen dat (vermoedelijke) werkgevers aan de controle/naleving van de WML kunnen ontsnappen. Dit zorgt er mijn inziens voor dat de WML, met name artt. 7 en 15 WML (inzake het minimumloon en vakantiebijslag), in Nederland beter nageleefd en gecontroleerd zal en kan worden, wat werknemers meer bescherming zal bieden.

USG Juristen

De auteur van dit artikel is jurist bij USG Juristen. Graag delen wij onze kennis over, en onze ervaring met diverse juridische vraagstukken die er voor u toe doen.

--------------------------------------------------------------------------------

[1] Wijziging van artikel 18b van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag in verband met het verduidelijken van het rechtsvermoeden van werkgeverschap, TK 32.896, nr. 2, http://www.eerstekamer.nl/behandeling/20110915/voorstel_van_wet/f=/vit2kbtok7um.pdf

[2] Stb. 2012, 72

[3] Memorie van toelichting, TK 32.896, nr. 3,  http://www.eerstekamer.nl/behandeling/20110915/memorie_van_toelichting/document3/f=/vit2kbtok9un.pdf

[4] Idem

[5] Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 28 juli 2010, (200908704/1/H3), LJN: BN2627, http://zoeken.rechtspraak.nl/detailpage.aspx?ljn=BN2627

[6] Rechtsvermoeden van werkgeverschap bestond ook al onder art. 18b WML (oud), waarbij er (aldus de toelichting op dit artikel door de wetgever) van uitgegaan dient te worden dat er sprake is van een dienstbetrekking (krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht) wanneer een persoon wordt aangetroffen die arbeid verricht ten behoeve van de onderneming, voorzover er geen bescheiden zijn waaruit het tegendeel blijkt.

[7] Zie noot 3

[8] Zie noot 3

[9] Idem

[10] Idem

[11] Idem

[12] Zie noot 8

« Terug

Reacties

Er zijn geen reacties op dit artikel.

Uw reactie
Naam:
Reactie:
Validatie:
[Neem de cijfers over]

Schrijf je in bij Juristenweblog.nl

Recente artikelen

1-4-2014

Participatiewet: over solidariteit, maatwerk en bezuinigingen

Gemeenten krijgen op sociaal gebied de komende jaren te maken met drie decentralisaties, te weten: d ...

31-3-2014

Hij is groot, en ik ben klein... - Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten van invloed op algemene voorwaarden en overeenkomsten

Ondernemers die zaken doen met consumenten doen er goed aan een goede afweging te maken alvorens in ...

10-3-2014

Enige handeling vereist voor vergoeding buitengerechtelijke kosten?

In een tussenvonnis van de rechtbank Gelderland van 23 oktober 2013 is een impasse gesignaleerd tuss ...