Bestuurs(procesrecht) Aanbestedingsrecht Omgevingsrecht Vreemdelingenrecht

De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen; de kritiek verstomd?

18-1-2010

Robbin Zandvliet
Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (1) in werking getreden. Deze wet is van toepassing op niet tijdig beslissen op aanvragen tot het nemen van een beschikking. Daarnaast is de regeling door de voorgestelde wijziging van artikel 4:17 jo. 7:14 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook van toepassing op het niet tijdig beslissen op bezwaarschriften (voorzover die beslissingen het karakter van een beschikking hebben).

In deze eerste paragraaf zal ik de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen inleiden en zet ik een paar kritiekpunten uiteen. In de volgende paragraaf komen een aantal uitspraken aan de orde die sinds de inwerkingtreding van de wet op dit onderwerp van  toepassing zijn. In de laatste paragraaf zal ik toetsen of de kritiekpunten van deze wet inmiddels hun relevantie hebben verloren.

In verschillende literatuur (2) is, voordat het wetsvoorstel in werking trad, kritisch gereageerd op de regeling. Eén van de kritiekpunten was dat de ‘druk’ die uitgeoefend op het bestuursorgaan wel mee zou vallen. Bestuursorganen hebben financiële belangen, onder andere voor realisatie van beleid. Dit kan ertoe leiden dat een bestuursorgaan eerder geneigd is de dwangsom te betalen dan snel(ler) een beslissing te nemen. Ten tweede speelt de onbekendheid van de nieuwe regeling ook een rol. Burgers hoeven over het bestaan en de mogelijkheden van de regeling niet bij voorbaat te worden ingelicht. Te verwachten valt dat veel van deze burgers onbekend zijn met deze regeling.

Als derde, en laatste, punt van kritiek was dat er niet één juiste dwangsom is en dat daarmee elke wettelijke gefixeerde dwangsom tekortschiet. In artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen €20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen €30 per dag en de overige dagen €40 per dag. De dwangsom begint automatisch te lopen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden. De dwangsom loopt hoogstens 42 dagen (3) en bedraagt maximaal €1260. De dwangsom gaat in na de termijn van twee weken nadat de aanvrager het bestuursorgaan in gebreke heeft gesteld. (4) 

Stand tot nu toe; jurisprudentie
Na inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet-tijdig beslissen op 1 oktober 2009 zijn er in de tweeënhalve maand dat de wet van kracht is, reeds een aantal uitspraken geweest waarin deze wet en de betekenis ervan een rol speelde. Een aantal van deze uitspraken zal ik hieronder behandelen en ik zal ze kort bespreken.

Vz. Rb. Haarlem (LJN: BK1628) van 29 oktober 2009
Verzoekster had op 7 oktober 2009 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van eiser. De voorzieningenrechter oordeelt dat na 1 oktober 2009 de mogelijkheid tot het instellen van bezwaar niet meer aanwezig is en dat slechts de mogelijkheid tot direct beroep rest. Het bezwaarschrift mocht ook niet aangemerkt worden als zijnde beroepschrift en vervolgens worden doorgezonden. De voorzieningenrechter oordeelt ook dat verzoekster eerst verweerder in gebreke had moeten stellen. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster niet-ontvankelijk is in haar voorlopige voorziening.

Vz. Rb. Zwolle (LJN: BK1594) van 30 oktober 2009
De voorzieningenrechter informeert verzoekers dat het verzoek om verweerder een dwangsom op te leggen wegens te laat beslissen op de aanvraag niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Verzoekers hebben de aanvraag ingediend voor 1 oktober 2009, de datum waarop de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking is getreden. Ingevolge het in deze wet opgenomen overgangsrecht blijft het recht zoals dit gold voor de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op aanvragen die voor deze datum zijn ingediend.

Rb. Haarlem (LJN: BK4046) van 19 november 2009
Dit is een meer inhoudelijker behandeling dan de vorige twee uitspraken. Bij brief van 6 oktober 2009 hebben eisers bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun bezwaar van 9 januari 2006. Ingevolge artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen blijft op een bezwaar- of een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat is ingediend voor het tijdstip waarop afdeling 8.2.4A (van de Awb) van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing. Nu het beroepschrift is ingediend op 6 oktober 2009, is het recht over het niet tijdig beslissen van toepassing zoals dat geldt vanaf 1 oktober 2009. Verweerder betoogt dat nu de Centrale Raad van Beroep geen beslistermijn heeft opgenomen in de uitspraak, voor het nemen van een nieuw besluit geen beslistermijn geldt. Volgens de rechter treft dit geen doel en moet verweerder de wettelijke beslistermijnen in acht nemen. De rechter acht het beroep ontvankelijk en oordeelt dat er sprake is van een overschrijding van de beslistermijn. Zij draagt verweerder op om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank bepaalt voorts, met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, dat verweerder een dwangsom van €100 verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000.

Afd. Bestuursrechtspraak Raad van State (zaaknr: 200907960/2/M2) van 3 december 2009 In deze zaak heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op een verzoek tot het treffen van handhavingsmaatregelen en verzoekt de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft geen beroepschrift ingediend, maar slechts een bezwaarschrift. De Raad van State oordeelt dat het bezwaarschrift moet worden aangemerkt als een ingebrekestelling. Aangezien er geen bezwaar en geen beroep aanhangig is, staat de verzoeker geen mogelijkheid open om een voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Afd. Bestuursrechtspraak Raad van State (zaaknr: 200908070/2/M2) van 3 december 2009
Bij brief van 19 oktober 2009 heeft appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van het college van B&W op zijn verzoek van 1 juli 2009 om wijziging van de vergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een houtbewerkingsfabriek. De Raad van State oordeelt dat het college van B&W niet tijdig een besluit heeft genomen. Echter, aangezien appellant de gemeente niet in gebreke heeft gesteld, wordt het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Rb. Rotterdam (LJN: BK8154) van 22 december 2009
Verzoekster heeft een bezwaarschrift en tevens een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend. De griffier heeft per brief aan verzoekster gevraagd, gelet op de inwerkingtreding per 1 oktober 2009 van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen of het bezwaarschrift als een ingebrekestelling of als een beroepschrift zal moeten worden aangemerkt. Vervolgens dient verzoekster alsnog een beroepschrift in. Aangezien verzoekster een beroepschrift indient, ziet de voorzieningenrechter aanleiding  om het ingediende bezwaarschrift niet als beroepschrift, maar als een ingebrekestelling te zien. De burgemeester, als wederpartij, geeft aan dat er nog een BIBOB-onderzoek moest plaatsvinden. Echter, aangezien het aanvragen van het BIBOB-advies heeft plaatsgehad na het verstrijken van de beslistermijn, is de burgemeester in verzuim tijdig op de aanvraag te beslissen. Aangezien een BIBOB-advies is gevraagd, stelt de voorzieningenrechter een datum vast (nadat het advies moet zijn verkregen) waarop de burgemeester uiterlijk moet laten weten wat de beslissing op de aanvraag is. Indien de burgemeester op die datum geen beslissing op de aanvraag heeft genomen, zal een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 worden verbeurd.

Conclusie
Als eerste kritiekpunt in dit artikel heb ik opgenomen dat de te verwachten ‘druk’ bij de bestuursorganen mee zou vallen. Dit kan, onder andere, liggen aan de beleidskeuzes die de verschillende bestuurders moeten maken. De bestuurders willen een goed overwogen en onderbouwd besluit en kunnen het daardoor minder erg vinden om een bepaald bedrag als dwangsom te betalen. Als de bestuurders snel(ler) zouden beslissen en achteraf zou blijken dat het verkeerde besluit is genomen, kan het eventueel terugdraaien van het besluit meer gaan kosten dan de dwangsom (van maximaal €1260!) en dan laat ik een aftreden of gezichtsverlies van de bestuurder buiten beschouwing. Het negeren van de eerdergenoemde ‘druk’ blijkt o.a. uit de laatstgenoemde uitspraak van de Rb. Rotterdam, waarin de burgemeester een BIBOB-advies wil afwachten voordat hij een besluit neemt over het verlenen van een vergunning. 

Daarnaast wordt in de uitspraak van de Rb. Haarlem van 19 november 2009 door het college van B&W betwist dat er een beslistermijn is, omdat dat niet was opgenomen in een eerdere uitspraak. Terwijl uit verschillende en eerdergenoemde literatuur (zie noot 2) blijkt dat er, als er geen wettelijke beslistermijnen zijn, er altijd nog de redelijke beslistermijnen zijn. Mijns inziens heeft de rechtbank in deze uitspraak correct geoordeeld.

Het tweede kritiekpunt betreft de (on)bekendheid van de burger met de regeling. Aangezien de wet slechts tweeënhalve maand geleden in werking is getreden, kan het zo zijn dat de burger nog enigszins moet wennen aan deze regeling. Het valt echter op dat veel van de bovengenoemde uitspraken (kennelijk) niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat veel partijen een bezwaarschrift indienen, terwijl ze alleen een direct beroep rest. Het beperkte beroep op de dwangsomregeling kan te maken hebben met de omstandigheid dat betrokkenen niet goed weten hoe de regeling werkt en dat niet actief wordt gelet op het verlopen van termijnen. Wil je als burger profiteren van de dwangsom, dan is een actieve houding vereist en moet de burger weten welke termijnen gelden.

Daarnaast wordt enerzijds in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rb. Haarlem (van 29 oktober 2009) geoordeeld dat een bezwaarschrift niet moet worden aangemerkt als een beroepschrift of als een ingebrekestelling terwijl anderzijds in de uitspraak van Rb. Rotterdam van 22 december 2009 de rechtbank zich afvraagt of het ingediende bezwaarschrift moet worden aangemerkt als beroepschrift of als ingebrekestelling en dit ook zo voorlegt aan de desbetreffende burger. 

Het derde kritiekpunt behelst het volgende. Het kan, bij een wettelijk gefixeerde dwangsom, voorkomen dat bij een aanvraag voor bijzondere bijstand de dwangsom het gevraagde bedrag aan bijstand zal overschrijden. Aan de andere kant zal bijvoorbeeld een projectontwikkelaar bij grotere projecten zijn schouders ophalen voor het bedrag en wellicht liever de goede vrede willen bewaren, dan het risico te lopen dat hij in conflict raakt met het bestuursorgaan. Uit artikel 4:17 van de Awb blijkt namelijk dat de dwangsom maximaal €1260 bedraagt. De vraag is dus echter of dit instrument alle burgers ten dienste staat. 

Een effectiever rechtsmiddel?
De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is nog maar net tweeënhalve maand vers van de pers, maar wordt nog niet veelvuldig en consequent gebruikt. De bovenstaande drie kritiekpunten zijn daar een voorbeeld van. Dat kan komen doordat er niet veel kenbaarheid aan de regeling werd en wordt gegeven en dat is juist wat er niet klopt aan deze regeling. Eén van de doelen van de regeling is namelijk om de burgers een effectiever rechtsmiddel te geven tegen te trage besluitvorming door het bestuur (5). Onbekendheid met de regeling leidt, mijns inziens, niet tot een effectiever rechtsmiddel.

USG Juristen

De auteur van dit artikel is jurist bij USG Juristen. Graag delen we onze kennis over, en onze ervaring met diverse juridische vraagstukken die er voor u toe doen. Klik hier voor meer informatie over wat USG Juristen voor u op dit gebied en 20 andere rechtsgebieden kan betekenen.

 


 

 

Bronnen:
1) Staatsblad 2009, 383.
2) A. ten Veen, De Wet Dwangsom en Direct Beroep: het antwoord op niet tijdig beslissen en het einde van de Lex Silencio?, O&A 2006-3 en C.M. Saris, Tijdig beslissen. Het doel dichterbij met de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen en de verruiming van de lex silencio positivo? Gst. 2008, 30 en R.J. van Dam & R.J.N. Schlössels, Het wetsvoorstel Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen, Gst. 2005, 101.
3) Artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4) www.minbzk.nl en www.minjus.nl.
5) Kamerstukken II, 2004/2005, 29 934, nr. 3, p. 1.

« Terug

Reacties
Door Paul, 20-8-2010

Wat mij betreft werkt de Wet dwangsom uitstekend. In juli jl. heb ik 10 keer een maximale dwangsom van € 1260 ontvangen van één gemeente en burgemeester en wethouders zo gedwongen om toch een beslissing te nemen op mijn aanvragen en bezwaren.

Door Mw. J. Verbeek bc., 25-7-2011

Prima middel want colleges van B&W werken traag mede afdelingen sociale dienst van gemeenten. Nu 1x gehad de 2e volgt en wel zeker nog wel meer. Want de maat is vol met dat langzamen draaien van de ambteleijke dwz gemeentelijke en UVI's molens.

Uw reactie
Naam:
Reactie:
Validatie:
[Neem de cijfers over]

Schrijf je in bij Juristenweblog.nl

Recente artikelen

8-1-2012

Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade: representativiteitsvereiste

De Wet collectieve afwikkeling massaschade (hierna te noemen: ‘WCAM’) is op 27 juli 2005 in werking ...

7-12-2011

Opzeggen van de arbeidsovereenkomst

Een arbeidsovereenkomst is niet altijd een overeenkomst voor het leven. Sterker nog, dat is het bijn ...

7-12-2011

Regels aangaande de collectieve arbeidsovereenkomst

Afspraken over arbeidsvoorwaarden tussen werkgever en werknemer worden niet alleen vastgelegd in een ...